PCG stelt vragen over zorgbudget van de gemeente

Twee weken geleden heeft Gerrit Taute (PCG) het college enkele vragen gesteld over het zorgbudget van de gemeente. ‘De meeste gemeenten hebben vorig jaar geld overgehouden op het zorgbudget. Het gaat naar schatting om zeker 310 miljoen euro in totaal. Dat bleek afgelopen week uit een onderzoek naar de uitgaven voor de jeugdzorg en Wmo-taken door de NOS en het vakblad Binnenlands Bestuur. Hoe zit dit voor Wijk bij Duurstede?’
1. Hoeveel geld is er in Wijk bij Duurstede over op het zorgbudget?
Het overschot op de jaarrekening 2015 was op het gehele budget voor het sociaal domein € 2.068.514,98
2. Hoe heeft zich dat ontwikkeld in de afgelopen jaren?
Het rijksbudget voor de taken binnen het sociaal domein is de afgelopen jaren afgenomen. Tegelijkertijd heeft de gemeente er –zoals bekend- taken bijgekregen en is meer ingezet op preventie en inzet van algemene voorzieningen terwijl de kwaliteit van de zorg en ondersteuning zoveel mogelijk in stand moest blijven. De afgelopen jaren is al een verschuiving ingezet van minder uitgaven aan individuele voorzieningen naar meer uitgaven aan algemene voorzieningen. Het resultaat hiervan was dat de gemeente ook de afgelopen jaren uit is gekomen met het afgenomen Rijksbudget. Er was echter geen sprake van ruime overschotten op deze budgetten. Het overschot van 2015 is op nagenoeg alle budgetten ontstaan. Zowel de oude taken als de nieuwe. Er is vooral veel geld overgebleven bij de Wmo. Het aantal cliënten en de hoeveelheid zorg die nodig was is lange tijd onduidelijk gebleven door steeds veranderende gegevens vanuit het Rijk en aanpassingen van taken. Daarnaast is het toegekende ‘nieuwe’ budget gebaseerd op historische gegevens.
3. Waardoor is dit veroorzaakt?
Per 1 januari 2015 heeft de gemeente er een flink aantal taken met bijbehorend budget bijgekregen. Voor 1 januari 2015 was de gemeente wat betreft de overdracht van de precieze omvang van deze taken afhankelijk van de informatie die door het Rijk en de zorgkantoren verstrekt werd. Vanaf 2014 heeft de gemeente continu gemonitord om hoeveel cliënten het zou gaan en welke budgetten er over zouden komen. Op verschillende manieren is een inschatting van de te verwachte kosten en daaraan gekoppelde financiële risico’s gemaakt. Onder andere is dit gedaan door de geïndiceerde en geleverde zorg te koppelen aan de NZA-tarieven voor deze zorg. Een grote onzekerheid zat voor de Wmo in het feit dat er een grote groep cliënten was met een ‘niet-verzilverde’ indicatie. Dat betekent dat deze inwoners wel een indicatie hadden voor bijvoorbeeld dagbesteding maar hier (nog) geen gebruik van maakten. In de berekeningen moest met deze groep wel rekening gehouden worden omdat zij direct een beroep op zorg kunnen doen wanneer hun situatie verslechtert.
Voor de Jeugdzorg waren de uitgaven van te voren moeilijker in te schatten. Dit wordt o.a. veroorzaakt door het feit dat er bij jeugd meerdere verwijzers zijn. Naast ons lokale team Loket Wijk zijn dit de huisartsen en medisch specialisten.
Op basis van bovenstaande informatie is in 2014 besloten vooralsnog niet te bezuinigingen op de (nieuwe) zorgtaken. Een deel van de al geplande bezuiniging op de Hulp bij het Huishouden is teruggedraaid. Ook is op grond van deze informatie besloten de eigen bijdragen op de Wmo-taken op het niveau van voor de overheveling te handhaven en deze dus niet te verhogen . Wel zijn contractafspraken gemaakt met de (nieuwe) aanbieders van zowel Jeugd als Wmo en tegen lagere tarieven dan voorheen. Verder leiden de korte lijnen en beleidsmatige ingrepen op zorg en ondersteuning ertoe dat minder geld nodig is; de gemeente zit er meer ‘bovenop’, er vindt zorgvernieuwing plaats en veel zaken blijken anders/goedkoper prima te regelen te zijn zonder dat cliënten in de problemen komen. Veel blijkt voorheen bekostigd te zijn, terwijl nu blijkt dat het anders kan. Voorbeelden hiervan zijn het vervoer van en naar dagbesteding (dat hoeft niet altijd met een officieel busje) en het feit dat vaak ‘gespecialiseerde dagbesteding’ in rekening werd gebracht terwijl een ‘regulier tarief’ volstaat.
Om zo snel mogelijk duidelijkheid te kunnen geven aan cliënten over de voortzetting van hun zorg en ondersteuning zijn vrijwel alle cliënten in 2015 geherindiceerd. Bij de Wmo was hiervan het resultaat dat veel cliënten toekonden met minder/andere zorg en ondersteuning. Uiteindelijk bleek het aantal Wmo-cliënten in de nieuwe taken nog minder dan het rijk voorzien had; een groot deel van de ‘niet-verzilverde’ cliënten bleek blijvend geen aanspraak op formele zorg te maken. Tot slot is een integraal loket WIJK opgericht met daaronder ‘team WIJK’ bestaande uit professionals vanuit Wmo en Jeugd. Het grote voordeel van dit team is dat zij waar mogelijk zelf voor kortdurende ondersteuning kunnen zorgen. Dit scheelt in de doorverwijzing naar zorgaanbieders. Dit is ook het gevolg van de gekozen werkwijze om loket Wijk sterk te verbinden aan de stichting Binding, hetgeen in de praktijk leidt tot slimme combinaties in de ondersteuning en minder zorggebruik.
Bovenstaande ontwikkelingen hebben gezorgd voor een eenmalig, en mogelijk deels structureel, overschot op de budgetten binnen het sociaal domein. Of het eenmalige overschot (deels) structureel wordt is nu echter nog niet in te schatten. De gemeente wordt de komende jaren namelijk sterk gekort op de algemene uitkering. Bovendien neemt de druk op zorg en ondersteuning toe door trends als de vergrijzing en het feit dat mensen langer thuis blijven wonen. Tot slot zijn er m.n. m.b.t. jeugd nog de nodige risico’s omdat nog niet alle facturen in beeld zijn. Op basis van bovenstaande ontwikkelingen is er echter wel voldoende reden om niet te bezuinigingen op de kwaliteit van de zorg en voorzieningen in Wijk bij Duurstede. Het voorzieningenniveau van de afgelopen jaren zal dan ook (vooralsnog) worden gehandhaafd.
4. Op welk gebied is het meeste geld overgehouden?
Blijven de overschotten geoormerkt voor de zorg? Zie hierboven. Het gehele overschot op het sociaal domein is ten gunste gekomen van de reserve sociaal domein en blijft daarmee geoormerkt voor het sociaal domein.
5. In eerste instantie leek het erop dat het bij de decentralisaties allemaal krap aan zou worden. Kunnen we hiermee stellen dat de decentralisaties toch een succes zijn geworden? (zie ook de cliënttevredenheid en de titel gouden gemeente).
Door alle onduidelijkheid over de omvang van het aantal cliënten en het bijbehorende budget, en de rijksbezuinigingen op de nieuwe taken heeft inderdaad lange tijd het beeld bestaan dat de gemeente fors zou moeten snijden in het zorg- en voorzieningenniveau. Dit blijkt nu echter (nog) niet nodig te zijn. Daarnaast is de cliënttevredenheid inderdaad nog steeds hoog, komen er nauwelijks bezwaarschriften binnen en hebben wij de titel ‘gouden gemeente’ gekregen. Dit zijn allemaal positieve signalen maar tegelijkertijd moeten en blijven we ons realiseren dat de transitie dan wel geslaagd is, maar de transformatie nog volop bezig is. Daarom vinden wij het na 1 jaar nog te vroeg om de conclusie te trekken dat de decentralisaties een succes zijn geworden. Die conclusie kunnen we pas trekken wanneer ook voor jeugd meer duidelijkheid is over de financiën en er nog meer gewerkt wordt aan de vernieuwing en transformatie van het sociaal domein.
6. Is het overschot incidenteel of structureel?
Het overschot is incidenteel en mogelijk deels structureel (m.n. wat betreft de Wmo). In 2016 is het macrobudget voor jeugd flink gedaald en er is geen reden om aan te nemen dat de uitgaven voor zorg sterk gaan dalen, gelet op de maatschappelijke trends zullen die kosten zelfs gaan stijgen. De uitgaven en ontwikkelingen zullen ook de komende jaren gemonitord worden zodat meer duidelijkheid gegeven kan worden over of het overschot op het sociaal domein incidenteel of misschien deels structureel zal zijn. Tegelijkertijd zullen we de cliënttevredenheid blijven monitoren.
7. Zijn er knelpunten in de uitvoering van de zorg?
Knelpunten m.n. rondom jeugd zijn nog steeds de problemen met declaratie/facturatie. Dit loopt nog steeds niet goed. Dit levert vooral problemen op bij de grotere zorgaanbieders die met heel veel gemeenten hebben te maken. Een blijvend knelpunt vormt ook de SVB, die voor alle gemeenten de betaling en administratie van de persoonsgebonden budgetten uitvoert. Dit kost in de praktijd veel tijd en moeite in de uitvoering.
8. Wordt het zorgbeleid naar aanleiding van het overschot verruimd?
Zo ja, op welke onderdelen? De gemeente besluit op basis van de ondersteuningsbehoefte van inwoners welke ondersteuning nodig is. Het budget van de gemeente is hierbij niet het uitgangspunt, maar de kwaliteit van de ondersteuning en de tevredenheid en zelfredzaamheid van inwoners. Dit is bovendien wettelijk bepaald: zowel jeugd als Wmo zijn open einde regelingen en vragen om individueel maatwerk. Aangezien de tevredenheid van inwoners hoog is en de kwaliteit van de zorg goed is wordt het zorgbeleid niet (bovenwettelijk) verruimd. Wel zullen wij als gemeente de komende jaren nog meer investeren in algemene voorzieningen zoals mantelzorgondersteuning, dementieondersteuning, vrijwilligerswerkbeleid, welzijn, een goed wijkteam en investering in sociale woningbouw o.a. voor vluchtelingen.
0 antwoorden

Laat een reactie achter

Wilt u zich mengen in de discussie?
Voel u niet bezwaard om bij te dragen!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *