Bezinning


 

Schaakspel

 

“Zo is als het ware heel het grote wereldgebeuren één machtig schaakspel van zwart tegen wit. Wij mensen zijn pionnen, levende pionnen, sommigen van ons zijn raadsheren of kaste­len. We staan allen in dienst van een macht die groter is dan wijzelf. We kunnen staan aan de zijde van Wit, aan de zijde van het Licht, we kunnen ook onze krachten stellen in dienst van zwart, in de macht van de boze. Het spel duurt nu al vele eeuwen. Wit plaatst zijn stukken vooruit, zwart valt er op aan. Soms slaat zwart een belangrijk stuk in de verdedigingslinie van Wit, en dan droomt hij van overwinning. Maar al die zetten van zwart, hoe geniaal ook, hoe schijnbaar vernietigend ook, ze passen alle in het wijze, grote plan van Wit. Die ene Schaak­speler heeft het spel in handen, zelfs elke zet van de tegenpartij wordt door Hem geregeerd. Ten slotte zal blijken, dat alles wat een overwinning van zwart leek, niet anders is dan één machtige triomf van Hem.”


Prof. Dr. J.H. Bavinck

Uit: ’Het raadsel van ons leven’

 

 


 

 

Citaten


"Verandering van vermogen test de betrouwbaarheid van vrienden"

Marcus Julius Cicero, Romeins politicus, redenaar en filosoof (106-43 v.Chr.) Wordt in het algemeen beschouwd als een van de grootste redenaars en proza-stylisten van Rome.

 

"De succesvolste politicus is degene die het vaakst en luidst zegt wat iedereen denkt."

Theodore Roosevelt, 26e President van de Verenigde Staten van Amerika (1858-1919)

 

"Graag omkleedt men zwakke waarheden met krachtige woorden."

Paul Heyse, Duits schrijver en essayist (1830-1914)

 

"Van alle mensen die niets te zeggen hebben, zijn degenen die dat zwijgend doen, verreweg het aangenaamste."

Hans Krailsheimer, Duits schrijver (1888-1958)

 

"Het enige dat nodig is om het kwade te laten zegevieren, is dat fatsoenlijke menselijke wezens er niets tegen ondernemen."

Edmund Burke, Engels politicus en filosoof (1729-1797)

 


 

 

Gedicht


 

 DE  DIEREN

 

De landman gaat, nu de avond is gevallen,

En de arbeid rust, voor ’t laatst zijn hoeve rond;

Hij keurt het werk der knechts in schuur en stallen,

Een als zijn schaduw volgt hem trouw de hond.

 

Hij toeft bij ’t vee en luistert hoe het ademt;

Rond schoft en horen hangt een warme damp,

Die met een geur van zomer hem bewademt,

En in een nimbus nevelt om de lamp.

 

Dan loopt hij tastend langs de ruif der paarden,

Verwelkomd door een dreunend hoefgeklop;

Hij spreekt hen aan en streelt een ruigbehaarden,

Een speels hem toegestoken manenkop.

 

En, als hij eindlijk, rustig na ’t volbrachte,

De handen boven ’t vlammend haardvuur heft,

Vervult hem nog de ontroerende gedachte

Aan wat rondom hem leeft en ’t niet beseft.

 

Hij peinst, en leest in ’t boek met koopren sloten

Het hoofdstuk uit, dat Noach’s tocht beschrijft,

Hoe de arke met haar simple reisgenoten

Lang op den oeverloze zondvloed drijft.

 

Gans in het wonderbaar verhaal verloren,

Terwijl hij mijmrend in den haardgloed staart,

Lijkt het hem of, door God daartoe verkoren,

Hij met zijn dieren over ’t water vaart.

 

Aart van der Leeuw, romanschrijver en dichter (1876-1931)

In 1928 eerde de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden hem door de Van der Hoogtprijs aan hem toe te kennen.